Posts tonen met het label dagboek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dagboek. Alle posts tonen

vrijdag 29 maart 2019

Judith Herzberg en Chr. J. van Geel, Brieven 1962-1974


Judith Herzberg en Chr. J. van Geel, Brieven 1962-1974, Bas Lubberhuizen, 2018.

Een briefwisseling tussen twee dichters kan niets anders zijn dan een spel van taal en emoties. Een van Nederlands bekendste dichteressen, Judith Herzberg (1934) heeft jarenlang gecorrespondeerd met dichter Chr. J. van Geel (1917-1974). Ze geven commentaar op elkaars gedichten, veelal waardering en bewondering, maar gaan ook in op elkaars publicaties, artikelen en laten wederzijdse vrienden de revue passeren. Beiden publiceerden in verschillende tijdschriften, zoals Tirade, Vrij Nederland en Maatstaf.
In een groot aantal brieven komen dichtregels voor, van de ander voorzien van positief commentaar, een correctie of suggestie, van henzelf, om te delen of ter illustratie. Ze liggen duidelijk op één lijn en voelen elkaars werk goed aan.
De correspondentie leest als een uitgesmeerd gesprek tussen twee goede vrienden, de lezer krijgt een intiem inkijkje in de dichtersgeest, het wel en wee van het dichten, nog in de tijd dat de vluchtige communicatie via sociale media niet bestond en men de tijd nam om rustig op elkaar te reageren. 


maandag 28 november 2016

Ik heb het niet over middelmatige mensen

Eugène Delacroix, Ik heb het niet over middelmatige mensen, De Arbeiderspers, 2007

Dit privé-domein (nr. 263) geeft de lezer een fascinerend inzicht in het leven van de bekende Franse schilder Eugène Delacroix (1798-1863). Het begint met een gedicht dat hij als achtjarig kind aan zijn moeder schreef en eindigt met enkele dagboekfragmenten en gedicteerde briefjes aan vrienden, slechts enkele dagen voor zijn dood. Het privé-leven van de schilder staat centraal, overpeinzingen en meningen, ontmoetingen met vrienden, zijn gezondheid die hem regelmatig parten speelt, zijn persoonlijke en artistieke overwinningen en twijfels. 

Het is vooral boeiend zo dicht op de huid van de schilder te zitten, met hem mee te leven en de wereld door zijn ogen te zien. Hoe hij de straten in Nancy observeert, wat hij van Engeland vindt, hoe beïnvloed hij is door Byron, welke andere schilders hij waardeert en welke juist niet. 
Na het lezen van dit privé-domein kijk je anders naar de schilderijen van Delacroix. Alsof je erbij was toen ze op het doek gezet werden, alsof je straks met hem in gesprek kunt over zijn laatste schilderij.

maandag 17 oktober 2016

Tussen Borssele en Parijs

Hans Warren, Tussen Borssele en Parijs, Uit Geheim dagboek 1945-1951                         

Nog niet eerder heb ik iets gelezen van de in 2001 overleden schrijver Hans Warren. Dit boek, dat ook nog ten dele over Parijs gaat, leek me een aardige kennismaking met zijn werk en zijn stijl, in ieder geval voor wat betreft de geheime dagboeken.
Warren beschrijft op pakkende wijze het kleine en kleinburgerlijke Borssele en stelt daar in de loop van het boek het grootste en wereldse Parijs tegenover. Het Parijs van de jaren veertig en vijftig waar hij als groentje uit de provincie zijn draai moet vinden: ‘De stad geeft zich niet gemakkelijk. Dat ligt aan mij. Ik ben stijf.’

De dagboekaantekeningen over Borssele zijn meer divers en ingrijpend: over een liefde voor een meisje, over de verhuizing uit het huis waar hij is opgegroeid, over zijn moeder die aan een kwaadaardig gezwel komt te overlijden. In Parijs deed Warren voornamelijk één ding: bij Pigalle op zoek naar mannen voor een kortstondige relatie. Met verschillende mannen brengt hij nachten door, op straat of in een onbekend bed: ‘Toen het licht begon te worden, kon ik genieten van zijn kleur, zijn lichaamsbouw, eerst onder het laken, later erboven.’

Zijn stijl is mooi, met zijn zinnen zit hij dicht op de huid van alles wat hij observeert en de lezer wordt nauw betrokken bij zijn verlangens en twijfels. Precies de goede toon voor een dagboek.

maandag 23 november 2015

Reisdagboeken

Albert Camus, Reisdagboeken, Kritak Passages, 1987.

Een persoonlijk verslag van de reizen die Camus maakte in 1946 en 1949 naar respectievelijk de VS en Zuid-Amerika. In 1946 is hij nog niet zo bekend. Amerika boeit hem, maar tegelijker voelt hij afkeer van de ‘moderne’ wereld. Hij spreekt in verschillende zaaltjes geïnteresseerde toe.

’s Middags met studenten. Hoewel ze duidelijk een nostalgie voelen zijn ze zich niet bewust van de kern van het probleem. In dit land waar alles moet bewijzen dat het leven niet tragisch is, ervaren zij een gemis. Die grote inspanning is roerend, maar het tragische moet je verwerpen na het in de ogen te hebben gekeken en niet van te voren.’

Het is een wat somber verslag van een reis die Camus meer uit plichtsbesef lijkt te ondernemen, dan uit pure interesse in het land.
Zijn reis naar en door Zuid-Amerika verloopt niet veel anders. Ook daar gaat hij van stad naar stad om mensen te ontmoeten en lezingen te geven.
Op de boot heen spreekt hij af en toe met wat medepassagiers, maar het liefst trekt hij zich terug om te werken.

13 juli
Een stralend zonlicht overspoelt onafgebroken het hele wateroppervlak. Een boot baadt in een verblindend licht. Gezwommen, in de zon gelegen. En de hele middag gewerkt. Over twee dagen komen we aan.

Eenmaal onderweg door Brazilië, Argentinië, Urugay en Chili, neemt zijn somberheid de overhand. Hij is moe van alle mensen om hem heen en heeft last van tuberculose.

20 augustus
Een dodelijke dag. Om 10 uur journalisten en A.; om 11 uur mijn eerste voordracht, in de universiteitsaula. (…) Dit is een open, mooi land. Ik kom wat tot rust. Om 6.30 uur mijn tweede voordracht. De ambassadeur heeft zich verplicht gevoeld met zijn wederhelft te komen. Voor mijn neus op de eerste rij zie ik koppen vol verveling en banaliteit.

Het zijn korte intrigerende observaties door de ogen van een kritisch denker: ‘Als je in de wereld in de smaak wilt vallen, moet je