zondag 17 maart 2013

God en Godin


Leo Vroman, God en Godin, Querido, 1967.

Wat is een goed gedicht? Moet het een kloppend rijmschema hebben, bol staan van de metaforen, niet te lang en niet te kort zijn, hermetisch, associatief? Ik geef toe dat ik het niet weet, maar ik weet wel wat ik mooie poëzie vind. God en Godin van Leo Vroman bijvoorbeeld. Vierenzestig pagina’s (ongeveer 2000 regels) vol boeiende en Vromannaains taalgebruik:

Stapvoets op eigen schaduw
zag hij zich zigzag klimmen
en gruis, gruis gruisvoets
onder zijn neerkijkend hoofd
voorbijgaan, grijnzend van het hijgen
ijlde de adem al uit zijn bijna
naar slapte snakkende de mond

God was in het kille noordelijke Calvinistische landschap geboren en strak in een keurslijf opgevoed. Godin komt uit het Zuiden, naakt en zonder schaamte, één met de natuur. God  ontsnapt en trekt naar het Zuiden waar hij Godin ontmoet. Ze leven paradijselijk als Adam en Eva. Als God over zijn thuisland vertelt, wil Godin erheen, zij wil de mensen daar losmaken, vrijmaken van de bekrompenheid en bedektheid. Zelfs al moet ze ‘kleren dragen en ruiken hoe tegen de nacht de geur van je zweet bederft in zieke wol zonder vel’. Ze gaan op weg. Godin dreigt het echter niet te redden in het koude Noorden, ze ‘bleef doorgaan met plaatselijk verbleken.’ Toch overwint de warmte en het licht dat letterlijk in haar schuilt, juist als ze in het ziekenhuis ligt om onderzocht te worden:

De machines kwamen tot stilstand
Er was geen geluid
Godin keek om zich heen en
op trillende benen
gehoorzaamden zij.
De stralen waren totaal verblindend
en zo wellustverwekkend
dat alle aanwezigen
zichzelf ontdekkend
zich ontkleedden.

Ik zou graag nog meer willen citeren om ook de taalgrapjes en zelfkritiek van Vroman te illustreren, maar als je het zelf leest, komt het pas echt over zoals Vroman het bedoeld heeft. De woorden, het ritme en het verhaal maken God en Godin tot een schitterend gedicht dat iedere poëzieliefhebber zou moeten lezen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen